Bijeenkomst, georganiseerd door de Adviesraad Sociaal Domein Goeree-Overflakkee, op 10 oktober 2016, van 19.30-21.15 uur, in de Grutterswei, Willemstraat 5, Oude-Tonge
De voorzitter, Cor Hameeteman, opent de bijeenkomst om 19.28 uur en heet de aanwezigen van harte welkom. Astrid Buis zal vanavond het een en ander vertellen over mantelzorg, de Jeugdwet en de Participatiewet. Bas Köhler, cartoonist, zal vanavond tekeningen maken van alles wat er vanavond ter sprake wordt gebracht.
Astrid Buis adviseert gemeenten en zorgaanbieders in het hele land, waardoor ze een breed beeld heeft van wat er in het sociaal domein aan de hand is. Vroeger financierden het Rijk, de gemeente en de provincie samen de zorg. Afhankelijk van de zorgzwaarte werd de zorg gefinancierd middels de Wmo, de Zorgverzekeringswet of de Wlz.
Dat je voor je naaste zorgt, is van alle tijden. Het woord mantelzorg is echter vrij nieuw. Zorg die altijd vanzelfsprekend was, wordt nu geformaliseerd. Voor sommigen voelt de mantelzorg vragen of geven als een verplichting. Er wordt immers door de gemeente gekeken wat het netwerk en de mantelzorgers kunnen bieden, voordat wordt vastgesteld welke zorg de gemeente moet leveren via de Wmo. Dat heeft ook voordelen: de mantelzorger groeit mee in het verzorgingsproces en kan meedenken met de gemeente en adviseren over zorg en beleid. Zij weten immers het beste wat de zorgvrager nodig heeft. Verder willen mantelzorgers graag praktische hulp of tijdelijke ondersteuning, bijvoorbeeld als zij op vakantie gaan of ziek zijn. Als het nodig, willen ze dat er professionele zorg beschikbaar is. Als de mantelzorger bijvoorbeeld druk bezig is met de persoonlijke verzorging, is het fijn dat er huishoudelijke hulp wordt geboden. Dit wordt gezien als respijtzorg.
In de adviezen aan de gemeente moet meer op de concrete hulp worden ingestoken. Veel mantelzorgers worden boos op de pluim die zij krijgen op de Dag van de Mantelzorg. Daar hebben ze namelijk meestal géén behoefte aan. Voorkomen moet worden dat zij zich in de slachtofferrol gedrukt voelen. Er wordt al over overbelasting gesproken, voordat daar sprake van is.
Bij verantwoordelijkheid hoort budget. Als de overheid meer verantwoordelijkheid bij de mantelzorger neerlegt, moet deze ook de middelen krijgen om de zorg in te vullen. Op de opmerking dat de terugtrekkende overheid voor een kloof heeft gezorgd, reageert Astrid dat mantelzorg altijd iets vanzelfsprekends is geweest, totdat de overheid zich ermee is gaan bemoeien. Nu wordt mantelzorg als problematisch beschouwd en gedramatiseerd, terwijl het vaak heel normaal en fijn is om te doen. Mantelzorgers bijten zich bovendien vaak vast in de zorg en zijn niet meer vatbaar voor professioneel advies. Ze denken bijvoorbeeld dat hun partner geen dag alleen kan zijn. Het is aan de professionals om goede oplossingen te verzinnen om mensen uit deze situatie te halen Hoe complexer de zorgvraag, hoe groter het risico op isolement. Respijtzorg is dan heel belangrijk voor de mantelzorger.
De Jeugdwet is zeer complex en veelomvattend. Alle zorg voor welzijn, psychische problemen tot aan forensische zorg zijn opgenomen in de Jeugdwet. Medicatie en lichamelijke gezondheidszorg (huisartsenzorg) vallen onder de Zorgverzekeringswet en verpleeghuiszorg valt onder de Wlz. Veel gemeenten ontdekken nu pas hoe ingewikkeld de uitvoering van de Jeugdwet is. Eenvoudige, veel voorkomende jeugdzorg kopen de gemeenten tegenwoordig zelf in. Plekken in gesloten psychiatrische instellingen hoeven gemeenten niet zelf in te kopen, omdat hier slechts een kleine vraag naar is. Ze moet dergelijke bijzondere zorg echter wel aanbieden indien nodig. Daarom worden samenwerkingsverbanden (regionaal transitiearrangement) gesloten.
De Participatiewet staat nog in de kinderschoenen. Het uitgangspunt is dat iedereen die kan werken, maar daar ondersteuning bij nodig heeft, vanaf 1 januari 2015 onder de Participatiewet valt. Omdat er nog mensen zijn die rechten hebben opgebouwd en daarom onder de oude regeling blijven vallen, is er nog niet zo veel geld beschikbaar voor de nieuwe Participatiewet.
De Participatiewet is ook bedoeld voor gezonde werknemers met een arbeidsbeperking. Zij kunnen immers ook waardevolle collega’s zijn. In de Participatiewet wordt over loonwaarde gesproken: iemand met een beperking werkt misschien acht uur, maar is slechts voor vier uur productief vergeleken met een gezonde werknemer. De loonwaarde is dan 50%. Voor de overige 50% kan de medewerker een Wajonguitkering krijgen. Nu willen bedrijven vooral nog Wajongers uit de oude regeling willen aannemen, omdat werkgevers voor hen meer subsidie en re-integratiebudget krijgen. Mensen met een Wajong-uitkering zijn mensen met een arbeidsbeperking. Er zijn ook zeer hoogopgeleide Wajongers die prima functioneren in de maatschappij. De compensatieregeling is echter gebaseerd op het minimumloon, dus voor hoogopgeleiden is dit meestal niet echt een optie. Meestal weten ze zich wel te redden met een kleiner aantal uren of een aanpassing op de werkvloer. De laagopgeleide groep is veel groter en heeft ernstiger problemen.
Opgemerkt wordt dat er ook een grote groep Wajongers is, die nooit aan de 30% arbeidsproductiviteit komen. Zij krijgen geen Wajonguitkering, maar zitten in de bijstand. Deze mensen krijgen nauwelijks mogelijkheden aangeboden. Volgens Astrid is het in sommige gevallen een goed idee om via de huisarts een psychodiagnostisch onderzoek te laten doen, waarin het IQ wordt gemeten en de verstandelijke vermogens worden getoetst. Verstandelijke beperkingen worden vaak niet herkend als mensen verbaal vrij sterk zijn. Het onderzoek wordt uit de Zorgverzekeringswet betaald, dus er zijn geen kosten voor de gemeente. Het IQ meten is belangrijk om een geschikte aanpak te bepalen en om eventueel toch een Wajong-uitkering te krijgen. Op de vraag wat de mogelijkheden zijn als een werknemer goed kan werken, maar bijvoorbeeld niet kan autorijden door een visuele beperking. Astrid antwoordt dat de vervoersvoorziening via het UWV verloopt, omdat die de uitkering moet betalen als de werknemer werkloos wordt. Als er echter een parkeerplaats voor de deur moet komen, of deze persoon geen huishoudelijk werk kan doen door zijn visuele beperking, dan gaat kan hij zorg aanvragen via de gemeente.
Nederland heeft geen sociale werkplaatsen meer, maar kent wel de indicatie voor beschut werken. Het gaat om mensen die wel kunnen werken, maar niet in een gewoon bedrijf. Ze kunnen wel productie maken, bijvoorbeeld inpakwerk. Hiervoor zijn echter nog te weinig voorzieningen. Het verschil met de sociale werkplaats is dat het geen onderdeel meer is van de gemeente, maar een zelfstandige onderneming dat een commercieel bedrijfsplan opstelt.
Werkgevers kunnen loonkostensubsidie krijgen voor werknemers die bijvoorbeeld het tempo niet aankunnen. Dit beleid staat nog erg in de kinderschoenen. Gemeenten zijn vaak al blij dat mensen met een Wajong-uitkering überhaupt betaald werk of vrijwilligerswerk doen.
Er zijn allerlei voorbeelden van projecten waarin mensen met een arbeidsbeperking worden ingezet om betaald of vrijwilligerswerk te doen. Een voorbeeld is het glazenwassersproject. Senioren die de hele dag voor het raam zitten, willen graag dat hun (woonkamer)ramen regelmatig gezeemd worden. De huishoudelijke hulp heeft hier geen tijd voor en een glazenwasser is meestal te duur. Wajongers nemen deze taak over, wat meteen goed is voor hun sociale vaardigheden en contacten. Gevraagd wordt hoe het zit met arbeidsverdringing. Astrid vindt dit zeker een aandachtspunt voor de Participatiewet, hoewel de ouderen niet snel een glazenwasser zullen nemen vanwege de hoge kosten. Vaak wordt bij dit soort projecten overlegd met de FNV.
Opgemerkt wordt dat er steeds meer verlangd wordt van de mantelzorgers. Alle verpleeghuizen op Goeree-Overflakkee maken gebruik van mantelzorgers. Astrid legt uit dat de gemiddelde bewoner een indicatie heeft van drie uur zorg per dag. Voor een woongroep van tien bewoners is er dus 30 uur zorg nodig. ’s Nachts is minder zorg nodig, maar overdag, zeker tijdens spitsuren, zijn er twee medewerkers nodig. Als dit werk door mantelzorgers wordt overgenomen, is dat oneerlijke concurrentie. Astrid is van mening dat de zorg veel kan verbeteren. De werkdruk is niet bij iedereen zo hoog. De registratie kost niet zo veel tijd als vaak wordt voorgedaan. Er wordt veel te veel vergaderd, terwijl medewerkers met een hogere functie ook een deel van de dag cliënten kunnen verzorgen.
Gevraagd wordt hoe het zit met verplicht vrijwilligerswerk. Astrid antwoordt dat de tegenprestatie niet slecht is, mits mensen er zelf iets van leren. Er zijn echter veel wanstaltige voorbeelden te noemen waar uitkeringsgerechtigden worden ingezet om een tegenprestatie te verrichten. Het rondbrengen van maaltijden in het ziekenhuis, dat op Goeree-Overflakkee door vrijwilligers wordt gedaan, vindt zij zo’n slecht voorbeeld. Dat is professioneel werk, omdat rekening gehouden moet worden met diëten en dergelijke. De tegenprestatie moet niet gezien worden als verplicht vrijwilligerswerk. Mensen moeten wel gemotiveerd zijn om aan de slag te gaan. Sommigen hebben zo veel begeleiding nodig, dat het niet meer rendeert.
Wie nog vragen heeft, wordt uitgenodigd om op de website van Astrid Buis te kijken en contact met haar op te nemen: www.buisadvies.nl / astrid.buis@buisadvies.nl, telefoon 06-51603085.
Na de pauze worden in kleine groepjes drie stellingen besproken op het gebied van zorg, jeugd en Participatiewet.
Bas Köhler presenteert de illustraties die hij heeft getekend naar aanleiding van de gesprekken.
De voorzitter concludeert dat de bijeenkomst totaal anders was dan die van vorige week, terwijl dezelfde onderwerpen waren geagendeerd. Hij dankt de deelnemers voor de input die zij vanavond hebben gegeven.
De bijeenkomst wordt beëindigd om 21.40 uur.