Cliënten- en burgerparticipatie op regionaal niveau

Gemeenten gaan steeds meer samenwerken in regionale verbanden. Dit brengt nieuwe uitdagingen met zich mee. Nienke van der Veen beschrijft waarom het belangrijk is dat cliënten en burgers ook op regionaal niveau invloed hebben op gemeentebeleid.

Door de drie decentralisaties (AWBZ-Wmo, Jeugdwet, Participatiewet) krijgen gemeenten steeds meer taken en verantwoordelijkheden. Vaak gaan ze daarom in regionaal verband samenwerken. In een groot aantal van deze gemeentelijke samenwerkingsverbanden wordt het Wmo-beleid opgenomen in een integrale (3D) benadering van de decentralisaties. In andere gevallen wordt het Wmo-beleid onderdeel van een brede regionale samenwerkingsagenda, waarin ook onderwerpen als economische ontwikkeling, mobiliteit en duurzaamheid zijn opgenomen.

Voor cliënten, burgers en de belangenorganisaties en Wmo-raden waarin zij vertegenwoordigd zijn, leidt de regionale gemeentelijke samenwerking tot nieuwe vragen over de manier waarop er regionaal invloed uitgeoefend kan worden. Overal in het land zien we Wmo-raden en belangenbehartigers passende antwoorden en oplossingen zoeken.

Zoektocht

Het vormgeven van de regionale samenwerking tussen gemeenten brengt veel vragen met zich mee. Het gaat om een ingewikkeld proces, dat niet gemakkelijk stuurbaar is. Welke onderwerpen pakken gemeenten samen op, en welke beter niet? Hoe kunnen gemeenten een goed evenwicht vinden tussen een regionale gemene deler en hun eigen ‘couleur locale’? Hoe kan de regionale visie worden vertaald naar de lokale praktijk, en op welke manier worden de taken hierbij verdeeld tussen gemeenten onderling?

Een andere belangrijke vraag is hoe de regionale samenwerking aansluit op de beleidscyclus van de individuele gemeenten. Op welke momenten is er ruimte voor democratische controle door gemeenteraden? En op welke manier kunnen Wmo-raden en lokale belangenorganisaties invloed uitoefenen?

De meerwaarde van participatie

Een bekend argument voor de decentralisatie van taken en verantwoordelijkheden van de centrale overheid naar gemeenten is dat dat het beleid dichterbij de burger kan worden georganiseerd. Voor gemeenten is het immers gemakkelijker om zicht te krijgen op de mogelijkheden en behoeften van hun inwoners, waardoor het beleid beter aansluit. Daarnaast is het op de gemeentelijke schaal eenvoudiger om directe vormen van cliënten- en burgerparticipatie te organiseren. Participatie draagt niet alleen bij aan de legitimiteit en kwaliteit van gemeentelijk beleid, maar helpt ook om draagvlak te creëren voor de soms moeilijke beleidskeuzes die moeten worden gemaakt. Bovendien kunnen cliënten en burgers de gemeente feedback geven over de uitwerking van het beleid in de praktijk: waar gaat het goed en waar zijn eventueel aanpassingen nodig?

Doordat cliënten en burgers, naast het kiezen van volksvertegenwoordigers, ook zelf mee kunnen denken en beslissen over gemeentelijke beleidskeuzes en afwegingen, wordt de kloof tussen overheid en burger verkleind. Zo krijgt onze democratie meer betekenis. Dit is een ander belangrijk argument voor decentralisatie.

Dichtbij de burger?

Het effect van de huidige decentralisaties is dat gemeenten steeds meer samenwerken om de taken die op hen afkomen aan te kunnen. Het opschalen van beleidsvorming naar het regionale niveau heeft echter tot gevolg dat de afstand tot de burger groter, en de mogelijkheden voor participatie juist weer kleiner worden. Als regionale samenwerking tussen gemeenten niet goed wordt geborgd in lokale participatiepraktijken, worden de belangrijkste argumenten voor decentralisatie - nabijheid en directe participatie - daarmee teniet gedaan.

Andersom geredeneerd, wil het decentralisatieproces echt bijdragen aan het verbeteren van de legitimiteit en kwaliteit van het overheidsbeleid, dan is het zaak dat cliënten en burgers ook op regionaal niveau de mogelijkheid krijgen om invloed uit te oefenen.

Van onder af

De toenemende samenwerking van gemeenten op het regionale niveau leidt gemakkelijk tot technocratie, bureaucratisering en systeemdenken. Het gevaar is dat de aansluiting met de leefwereld van burgers hierdoor verloren gaat. Cliënten en burgers gaan zich juist betrokken voelen wanneer zij zich kunnen identificeren met de onderwerpen die ter tafel liggen. Er is een bottom-up benadering nodig die vertrekt vanuit de mogelijkheden en behoeften van de mensen om wie het gaat.

Deze bottom-up benadering van cliënten- en burgerparticipatie is niet alleen noodzakelijk voor gemeenten, maar ook voor belangenbehartigers en Wmo-raden zelf.

In de praktijk gaat de discussie over regionale cliënten- en burgerparticipatie al snel over de vraag hoe Wmo-raden onderling kunnen gaan samenwerken en formeel inspraak kunnen hebben in de regionale beleidsvorming. De vraag is echter of deze vorm van burgerparticipatie in alle gevallen de beste oplossing is, en of de ervaringen, behoeften en initiatieven van cliënten- en burgers op deze manier het beste worden vertaald in regionale beleidsvorming. Wellicht zijn er nieuwe, creatieve, aanvullende vormen nodig om de inbreng van diverse groepen burgers op het regionale niveau zo goed mogelijk te organiseren?

Voorbeeld: regionale cliëntennetwerken

Eén manier om de participatie op regionaal niveau te organiseren is door een regionaal cliëntennetwerk. Zo is er in Friesland het Netwerk Kwetsbare groepen en in Gelderland het Achterhoeks Netwerk. In deze netwerken komen vertegenwoordigers van mensen met verstandelijke beperkingen, NAH, doven en slechthorenden en mensen met een psychische aandoening samen. Deze cliëntengroepen zijn per gemeente vaak klein in aantal en versnipperd georganiseerd. Daardoor komt hun stem lokaal en regionaal te weinig aan bod.In het regionale cliëntennetwerk kunnen zij vrijuit hun ervaringen uitwisselen, bundelen en onder de aandacht van regionale samenwerkingsverbanden, individuele gemeenten en Wmo-raden brengen. Voor de deelnemers zelf blijkt het netwerk bovendien een veilige omgeving waarin zij in hun eigen tempo en op hun eigen manier van gedachten kunnen wisselen.

Ga het gesprek aan

Bij de huidige decentralisaties en de transformatie hoort een serieuze en uitgebreide discussie over de manier waarop cliënten- en burgerparticipatie op het regionale niveau getransformeerd en duurzaam tot stand kan komen. Dit vereist een open blik en een bottom-up benadering, zowel van gemeenten als van Wmo-raden en belangenbehartigers.

[auteur: Nienke van der Veen, kennismakelaar AVI]



« Terug naar nieuws